De gloriejaren met de succesvolle formatie Doe Maar liggen inmiddels ver achter hem, maar Henny Vrienten (1948) is nog altijd niet te stoppen. Hij maakt onder andere liedjes voor Het Klokhuis en Sesamstraat, componeert filmmuziek, en eind september verschijnt zijn nieuwe soloalbum onder de vlag van Top Notch. Vrienten werkte daarnaast mee aan Irie, de reggaeplaat van Rico en A.R.T., die half april verscheen. In zijn studio aan huis – een grachtenpand vlakbij de Nieuwmarkt in Amsterdam – praat hij honderduit over deze samenwerking, zijn verdere connectie met hiphop, en zijn nieuwe plaat.

“Toen ik de demo’s van Irie voor het eerst hoorde, was ik razend enthousiast. Maar de plaat was voor mijn gevoel nog niet af. Ik hoorde alleen maar gesamplede bassen.” U goot er een Doe Maar-sausje overheen. “Niet per se. Ik heb wel ingrediënten gebruikt die destijds ook bij Doe Maar voorkwamen, zoals de herkenbare baslijnen en achtergrondkoortjes. Maar de voornaamste link is toch gewoon reggae in combinatie met Nederlandse teksten. Dat was ongebruikelijk voor die tijd, en daarna hebben weinig artiesten zich daar aan gewaagd. Voor veel mensen klinkt Nederlandse reggae dan al snel als Doe Maar. Mede daarom vind ik het ook zo dapper dat Rico het aandurfde. Helemaal in combinatie met rap: het hiphoplandschap is nou eenmaal vrij xenofoob.”

Voor Rico werkte reggae als een medicijn in een periode waarin hij zich wat minder goed voelde. Herkent u dat? Al zingend: “Positieve vibes in een negatieve tijd.” Dan weer op praattoon: “Ik heb reggae eigenlijk nooit als heel erg vrolijk ervaren, eerlijk gezegd. Wat dat betreft begreep ik die uitspraak van Rico in De Wereld Draait Door niet helemaal. Maar ik denk dat hij meer op de teksten doelt. Als je problemen hebt dan ga je bij je moeder huilen, je schrijft het in een dagboek, of je maakt een liedje. Liedjes gaan meestal over problemen, en vaak heeft het iets met de liefde te maken. Ik wil haar, ik heb haar, of ik ben haar kwijt: die drie varianten komen bijna altijd terug. Je kunt er een meetlat langs leggen.”

“Wat wij maakten met Doe Maar was, net als Rico’s werk, een reflectie van onze ziel. Als je goed luistert hoor je dat ik altijd verliefd was.” En de dames op u. Breeduit lachend: “Dat hielp wel, ja. Maar dat is heel lang geleden. De laatste dertig jaar is de muziek die ik maak geen reflectie meer van hoe ik me voel. Dat zou betekenen dat ik alleen nog maar sombere filmmuziek maak als ik me niet goed voel: dat lijkt me geen professionele gedachte.” U bent het meer als werk gaan zien? “Inderdaad. En met mijn werk ga ik vanzelfsprekend professioneel om. Hoe ik mij voel is dan niet zo belangrijk.”

Rico kan zware teksten heel metaforisch vertellen. “Dat kan hij goed, ja.” Doe Maar was meer recht door zee. “Directer.” Of zat daar ook een diepere laag onder? “Als je goed luistert hoor je die lagen wel. Verwijzingen vooral. Maar er is een groot verschil met de teksten van Rico. Wij wilden graag zingen in een taal die iedereen meteen begreep. Zware metaforen kwamen bij ons niet voor. Alleen maar woorden die we in het dagelijks leven ook tegen elkaar uitwisselden. Dat was ons criterium. Kijk, poëzie is anders: dat schrijf je op. Iedereen kan dat in zijn eigen tempo iedere keer weer opnieuw lezen, proberen te doorgronden. Maar een liedje is een boodschap die in de lucht hangt. Via de radio of een podium komt dat bij iemand terecht. Dan moet je helder zijn. Dat was toen onze visie, en eigenlijk sta ik daar nog steeds achter.”

“Ik kan me herinneren dat een collega-artiest aan mij vroeg of ik naar zijn tekst wilde kijken. ‘Ik trok de lade open, en haar ogen keken mij aan,’ had hij geschreven. Hoezo? Ik vroeg aan hem of hij haar ogen er soms had uitgedrukt. Hij keek me toen verbaasd aan en vertelde dat er een foto in de la lag. Dat begrijpt toch niemand? Ik heb hem dringend geadviseerd om die zin eruit te gooien. Zeggen wat je bedoelt, dat was onze visie.” Bereikt Gers om die reden meer mensen dan Rico? “Dat is altijd zo geweest: een groot publiek bereik je met toegankelijke teksten.” Daar speelden jullie met Doe Maar goed op in. “Dat is nooit de opzet geweest. Wij waren gewoon een feestbandje toen we begonnen. Lekker spelen. We hadden nooit de intentie om heel bewust succesvol te worden.”

Nooit de neiging gehad om Rico te wijzen op zijn metaforen? “Nee, helemaal niet. Iedere artiest heeft zijn eigen taal. Dit is zijn handelsmerk, en dat moet je hem gunnen. Ik heb helemaal geen last van cryptische zinnen in rapmuziek. Wat ik wel storend vind is de klemtóón die rappers constant verkeerd leggen. Omdat het moet rijmen gebruiken die jongens woorden waarvan ik denk: dat zou ik in geen miljoen jaar op die manier door mijn strot krijgen. Ik heb ook altijd het idee dat rappers heel scheutig en snel schrijven. Voor mij werkt dat niet. Ik doe rustig een jaar over een tekst. Neemt niet weg dat Rico absoluut een talent heeft. Ik vind zijn teksten heel goed. En laten we eerlijk zijn: liedjes die een groot publiek bereiken zijn vaak niet het meest interessant. Uitzonderingen daargelaten.”

Doe Maar was een uitzondering. “Je zou het door het succes niet zeggen, maar Doe Maar was eigenlijk een heel alternatief bandje. We speelden reggae zo stoned als een aap. Rap is, net als Doe Maar destijds, een alternatieve muziekvorm.” En toch liep iedereen met jullie weg. Waarom? “Je vraagt het me, maar ik heb er naar al die jaren nog steeds geen antwoord op. Ik denk dat we het juiste bandje op het juiste moment in de tijd waren. Wij waren dertigers die zongen over de problemen van dertigers. Over meisjes, over de nacht, over angsten. In die tijd had je nog de reële angst van de bom. Mensen konden zich met ons identificeren. Ik zong een liedje over mijn vader: Pa. Dat deed je vroeger niet. Jongens waren macho’s: die zongen geen lief liedje voor hun vader. Wij waren daar schaamteloos in. En muzikaal was het heel goed. Dat vind ik na al die jaren nog steeds. En dat bedoel ik niet arrogant.”

“Dat hiphop zo groot is geworden, vind ik heel bijzonder. Toen ik de muziekvorm voor het eerst hoorde op de radio – iets Amerikaans – dacht ik: maar waar is het liedje dan? In de tijd van Doe Maar hield ik mij ook totaal niet bezig met hiphop. Ik luisterde naar oude reggae. Naar Toots & The Maytals, dat werk. En veel oude Ska. Later ging ik ook naar hiphop luisteren. Fresku en Extince zijn hele grote favorieten van mij. Fresku is echt ongelooflijk goed. Zijn teksten zijn geniaal. En Extince volg ik al zijn hele carrière. Zijn flow, de Brabantse tongval en ook de humor: het doet me een beetje denken aan Doe Maar. Wij hadden hem ook gevraagd voor een nummer op Klaar, ons laatste studioalbum, maar dat wilde hij niet.” Def P en Brainpower wilden wel meedoen. “Dat was onze eerste samenwerking met hiphop. Later werd dat meer, onder andere op de verzamelaar Versies / Limmen Tapes.”

Waar komt uw connectie met hiphop vandaan? “Net als de ska-/reggaemuziek die wij maakten, heeft hiphop een absolute Groove. Daarnaast herken ik de betrokkenheid in de teksten. Die jongens rappen over maatschappelijke kwesties, over hartsaangelegenheden. Daar ligt onze overeenkomst. Als ik na 1985 was geboren, dan had ik waarschijnlijk ook gerapt.” Het kan nog. “Daar ga ik me niet meer aan wagen. Het muzieklandschap is compleet anders, vergeleken met dertig jaar geleden. Dat merk ik aan mijn twee zonen, die ook in de muziekwereld actief zijn. De een speelt basgitaar in Jett Rebel en de ander maakt cabaret met de groep Hermen in een bakje Geitenkwark. Ik vind het ongelooflijk interessant om te zien hoe flexibel en goed die jonge gasten zijn. Met hun computer hebben zij alles bij de hand. Een gitaar koop je op internet en gitaarles krijg je op Youtube. Als mijn zoon zegt dat hij naar het conservatorium wil, dan zegt zijn vader: goed idee. In 1961 was dat ondenkbaar. In de plaatselijke gitaarwinkel hing maar één Duitse gitaar. En daar wilde je nog niet dood mee gevonden worden. De gitaren die John Lennon en Roy Orbison vast hadden, had je niet in Nederland. Er was bovendien niemand die je het kon leren. Ouders gaven hun kinderen geen muziekopleiding.”

“En als je dan een bandje bij elkaar kreeg, dan werd je bij de platenmaatschappij opgewacht door een meneer in een witte jas. Die zei precies waar je moest gaan staan en wat je moest doen. Hij keek er ook op toe dat de metertjes nooit in het rood kwamen. Het was een soort fabriek.” En de voordelen? “Er waren ongelooflijk veel podia. In ieder dorpje had je vier tenten, waar we op kon treden. Doe Maar speelde tweehonderdvijftig keer per jaar, nog voordat ook maar iemand ooit van ons had gehoord. Dat was het klimaat: mensen wilden livemuziek. En als je scoorde, dan scoorde je ook echt. Ik geloof dat je nu vijfduizend singels moet hebben om op nummer één te staan. Toen waren dat er 100.000. Sommige cd’s gingen miljoenen keren over de toonbank.”

Is het moeilijker geworden voor uw zoons? “Er is niemand die je tegenhoudt: dat is het grote voordeel. De kanalen liggen open en die kun je ook nog eens zelf beheersen. De televisie is niet meer van Hilversum. Aan de andere kant is de concurrentie groter en de kwaliteit hoger. Bij The Voice zie je vijftig kinderen die allemaal duizend keer beter kunnen zingen dan iedereen in 1950. Het vergt een andere manier van denken. Zij schakelen zo snel.” U lijkt anders ook onvermoeibaar. “Haha, dat klopt wel. In september breng ik een hele mooie plaat uit. Met de muzikanten van My Baby: een jonge en eigenzinnige band met heel veel Groove. Het wordt een alternatieve plaat met vijftien autobiografische liedjes. De plaat gaat En toch heten, dat weet verder nog niemand. Dit keer trouwens geen rappers op de plaat.” Helaas. “Heb je Ben Cramer gezien bij Ali B op Volle Toeren? Die ging rappen. Fresku werd helemaal gek. Dat ga ik dus niet doen. ‘Schoenmaker, blijf bij je leest,’ zeiden mijn ouders vroeger altijd.”

De plaat verschijnt bij hiphoplabel Top Notch. Waarom? “Ik ken Kees de Koning nog van de samenwerking tussen Top Notch en Doe Maar rondom Versies / Limmen Tapes. Ik liet hem later twee liedjes horen van mijn nieuwe cd en hij was direct overtuigd.” Er waren vast genoeg andere labels met interesse. “Klopt, maar ik heb hier een goed gevoel bij. Het kantoor zit op steenworp afstand van mijn huis. Wat ik net vertelde over die platenmaatschappijen van vroeger, zo zijn ze bij Top Notch niet. De mensen werken daar op hun laptopjes en beneden hebben ze hun eigen koffiewinkel. Die sfeer spreekt mij aan.” En verder? “Ik zou eigenlijk nog wel eens een hiphop-act willen produceren. Ik denk dat er op dat gebied nog stappen gemaakt kunnen worden. Hiphop is toch een hermetische wereld, wat dat betreft. De beatmakers zijn heilig. Zij doen veel met samples. Tegenwoordig wordt er ook muziek tegenaan gezet, maar dat vind ik vaak nog ondermaats.”

Gepubliceerd op State Magazine (bestaat niet meer)| beeld: Jordie Volkerink, 20 juni 2014

Leave A Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *