‘Wat wil je allemaal weten jongen? Zal ik iets vertellen over mijn werk op blikfabriek?’
Op zaterdagochtend 11 maart 2017, een maand na haar honderdste verjaardag, ontmoette ik mevrouw Voogel voor het eerst. De koffie stond al te pruttelen toen ik aanbelde bij haar huis in Geuzenveld en op een schoteltje op tafel lagen vier koekjes café noir.
Eenmaal in haar stoel begon mevrouw Voogel meteen vol enthousiasme en overgave te vertellen. Over haar jeugd in de Jordaan, waar ze bij haar opoe (“Toen zeiden ze nog opoe”) en opa opgroeide, over haar werk in de blikfabriek in Krommenie, over de moeizame relatie met haar vader, over haar fijne huwelijk met haar man Bap en over de uitnodiging van Dr. Oetker om samen met twee andere honderdjarigen een taart te komen bakken: de Taart van de Eeuw.

Na twee uur praten vroeg ze: ‘Kun je hier iets mee?’
Voor haar gevoel had ze de meeste verhalen wel verteld. Ik mocht de vijf kantjes die ze in 2005 volschreef mee naar huis nemen om te gebruiken bij het uitwerken. Ze wenste me succes en vroeg me wanneer het boek over haar leven af was. Dat we net waren begonnen aan een heel project, was ze in al haar enthousiasme even vergeten.
Toen ik vervolgens vertelde wat de bedoeling was – regelmatig afspreken, fotoalbums doorspitten, verhalen laten bezinken, nog weer een keer afspreken en uiteindelijk een echt boek maken – zei ze: ‘O ja, dat is ook zo. Prima, maar wanneer kom je dan weer langs?’
We maakten een nieuwe afspraak, die ik ter plekke in mijn telefoon bewaarde. Mevrouw Voogel niet. ‘Moet u het niet even opschrijven,’ vroeg ik nog. Dat zou ze doen als ik weg was, beloofde ze. Als dat maar goed gaat. Het bleken zorgen om niets. Telkens als ik langskwam stond de koffie klaar en waren de koekjes op voorraad. Hoewel het lang niet altijd meeviel om überhaupt een afspraak in te plannen. Dan was ze een week op klaverjasreis naar Valkenburg (ze gaat vier keer per jaar), dan had ze een verjaardag, en dan was er weer iets anders. En ik maar denken dat een druk leven alleen iets voor jonge mensen is.
De kaft van het boek

De kaft van het boek

De kaft van het boekWe spraken na elke gesprek opnieuw af en er kwamen meer en meer verhalen bij haar naar boven. Van alle ontmoetingen, een stuk of acht in totaal, was ons dagje in de Jordaan, afgelopen juli, zonder twijfel het hoogtepunt. In café Thijssen, op de hoek van de Lindengracht en de Brouwersgracht, aten we appeltaart. (“Zo’n groot en lekker stuk taart heb ik nog nooit gehad.”) De mensen aan de tafeltjes in het café noemde ze yuppen en toen we terugliepen naar de auto en een hevig zoenend stelletje passeerden zei ze, net iets te hard: ‘Nou, nou, dat zag je in mijn tijd niet, hoor. Of zitten ze soms aan elkaar vast?’

In de gesprekken die we tussen maart en oktober voerden, vertelde mevrouw Voogel zoveel ze wist, zoveel ze kon en zoveel ze wilde vertellen. Soms had ze het gevoel dat ze alles wel verteld had, maar dan bleek er na een beetje doorvragen toch nog een verhaal in haar hoofd te zitten. Daarbij verbaasde ik me vooral over sommige details die ze nog wist. De trein naar blikfabriek ging om drie minuten over zeven en twee sigaren bij Kwak kostten drie cent. Ogenschijnlijk zonder enige moeite ratelde ze dit soort details op.
Mevrouw Voogel neemt het eerste exemplaar van het boek in ontvangst.

Mevrouw Voogel neemt het eerste exemplaar van het boek in ontvangst.

Gisteren werd mevrouw Voogel honderd en één jaar. Samen met Eline ben ik naar haar toe gegaan om het boek aan haar te geven. Een bijzonder moment én het einde van een heerlijk project vol goede verhalen, onthaastende ontmoetingen met kopjes zwarte filterkoffie (en café noir koekjes), en heel veel heerlijke vrijdagochtenden in een cafeetje om de hoek om alle aantekeningen, die van hot naar her gingen, te vertalen in een boek van, jawel, honderd pagina’s.

Onderstaande tekst is een fragment uit hoofdstuk 2, waarin mevrouw Voogel vertelt over haar jeugdjaren in de Jordaan, waar ze opgroeide bij haar opoe en opa.
In mijn jeugdjaren bij mijn opoe en opa in de Jordaan kwamen mijn vader, moeder en mijn twee kleine zusjes elke zaterdag op bezoek.
Als ik dan weer eens brutaal was geweest, foeterde opoe: ‘Je gaat met je moeder mee naar Kattenburg.
Het is mooi geweest!’
Dan nam ik de benen, want ik wilde niet mee. Nu niet, nooit niet. Ik wilde hoe dan ook op de Willemsstraat blijven. Ik was er als klein meisje heilig van overtuigd dat ik de Jordaan nooit meer zou verlaten.
Als mijn ouders en zusjes na zo’n bezoekje op het punt stonden om huiswaarts te keren, vluchtte ik. Ik rende en rende, net zo lang tot ik uit het zicht van mijn familie was. Om een hoekje bleef ik dan kijken hoe ze de brug van de Oranjestraat over gingen. Pas als ze helemaal uit mijn zicht verdwenen waren, durfde ik weer naar mijn huis, het huis van opoe en opa in de Jordaan.
Mijn neef Jurie zei altijd: als je ouder wordt, ga je over je jeugd praten. Volgens mij heeft hij gelijk. De herinneringen zijn nog zo scherp. Ik kan het allemaal nog zo oprakelen. Ik zie me daar nog zo lopen door de Willemsstraat.
Zo heb ik het gebouw van de geneeskundige dienst nog scherp op mijn netvlies. Daar op de stoep speelde ik, een ondernemend meisje maar zeker geen branieschopper, met kinderen uit de buurt. We hadden een vaste groep meisjes.
Dan deden we een potje bikkelen of bok bok berie. Bij dat spelletje maakte je met een aantal kinderen een bok, waar anderen dan op mochten springen. De grap was om net zo lang te blijven staan, totdat de bok omviel. Urenlang konden we ons daarmee vermaken. Of we hingen aan koetsen, net zo lang totdat we een paar cent kregen van die marktkooplui.
Als ik er nu aan terugdenk, krijg ik het nog warm. Het was een prachtige tijd. Ik was, behalve dat ik van negen tot twaalf en van twee tot vier naar school ging, hele dagen op straat te vinden. Ons leven speelde zich daar af. Thuis at je je maal en sliep je. Verder waren we buiten.

 

Leave A Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *